Veel is voor ons vanzelfsprekend, bijvoorbeeld dat we op een aantrekkelijk exemplaar van de andere sekse kunnen afstappen. Planten kennen deze luxe van mobiliteit niet. Sinds het verschijnen van de eerste groene levensvormen op aarde moesten planten lange tijd vrijwel tegen elkaar aangroeien om te kunnen paren. Mos laat zijn bleke sperma via het regenwater naar partners drijven, zoals veel vroege planten, maar daarvoor is water nodig. Planten konden alleen overleven op vochtige plaatsen waar mannetjes en vrouwtjes via waterdruppels met elkaar in contact konden komen. Het grootste deel van de aarde was nog bruin.
Maar ruim 375 miljoen jaar geleden gebeurde er iets bijzonders: een bepaalde groep planten ging stuifmeel en zaden voortbrengen. Het aanzien van de plantenwereld zou voorgoed veranderen. Stuifmeel is plantensperma, twee zaadcellen per korrel in een vaak goudkleurige behuizing die dient als bescherming en transportmiddel. Seksuele contacten tussen vreemde individuen behoorden voortaan tot de mogelijkheden.
Aanvankelijk was het nog een schot in het duister: het stuifmeel stoof mee met de wind, mogelijk troffen een paar stuifmeelkorrels doel. Mettertijd werd het proces steeds ‘intelligenter’. Er ontstonden zakjes stuifmeel die openbarsten en de korrels het luchtruim inschoten, en stuifmeel met ‘ballonvleugeltjes’ waarmee het zwevend op de wind veel grotere afstanden kon afleggen. Planten gingen duizenden, miljoenen, soms miljarden stuifmeelkorrels produceren opdat er eentje zijn doel zou bereiken.












