In een ver en glansrijk verleden smeedden de Gadulia Lohar wapenrusting voor hindoevorsten. Nu bivakkeren deze nomaden aan de rand van de kleinste Indiase gehuchten, waar ze eenvoudige voorwerpen vervaardigen van schroot.
Op een warme dag in februari liep ik in de noordwestelijke deelstaat Rajasthan zo’n Lohar kamp binnen. Om het ijs te breken had ik stukken zeep meegenomen. Algauw werd ik omringd door mannen, vrouwen en kinderen. De zak die ik bij me had, werd uit mijn hand gegrist en aan flarden gescheurd, waardoor de inhoud op de grond terechtkwam. De Lohar stortten zich vloekend op de zeep. Een van de oudere kinderen begon te huilen.
Dit tafereel illustreert de wanhoop van de nomaden die het Indiase subcontinent al honderden, soms wel duizenden jaren bereizen. De Gadulia Lohar behoren tot de bekendste. Hun naam is opgebouwd uit de woorden gaadi (wagen) en lohar (vuursmid). Sommige nomaden zijn herders, zoals de met lijvige tulbanden getooide Rabari, die met hun kamelen door West-India trekken. Anderen leven als jager-verzamelaars of voorzien als zoutverkopers, waarzeggers, goochelaars of ayurvedische genezers in concrete behoeften. Weer anderen zijn jongleur, acrobaat, verhalenverteller, slangenbezweerder, dierendokter, tatoeëerder of mandenmaker. In India leven zo’n vijfhonderd verschillende groepen nomaden – in totaal tachtig miljoen mensen, ongeveer 7 procent van de Indiase bevolking.
Ooit waren de nomaden volledig geïntegreerd in de Indiase samenleving, maar in de negentiende eeuw kwam hierin verandering. De Britten bestempelden hen als zwervers en dieven, vooroordelen die hebben standgehouden tot na het koloniale tijdperk. In het zich snel moderniserende India, dat wordt gekenmerkt door urbanisatie, callcenters en trendgevoelige jongeren, is weinig behoefte meer aan herders, ketellappers en dansende beren.











